De asaanduiding van een Scania vertelt hoeveel assen de truck heeft, hoeveel daarvan worden aangedreven en soms ook welke extra assen meesturen. Zo is een 4×2 een tweeasser met één aangedreven as, terwijl een 6×4 drie assen en twee aangedreven achterassen heeft. Toevoegingen zoals /4 en *4 geven extra informatie over gestuurde voorloop- of naloopassen.
Daarmee is de configuratie nog niet compleet beschreven. Ook het type achteras, de eindoverbrenging, aslasten, wielbasis, vering en eventuele aslift bepalen hoe een Scania rijdt en waarvoor hij geschikt is. Wie verschillende uitvoeringen van Scania wil vergelijken, moet daarom verder kijken dan alleen 4×2 of 6×2.
Zo lees je een Scania-asconfiguratie
De bekende notatie bestaat uit twee cijfers. Het eerste cijfer staat voor het totale aantal wielposities en het tweede voor het aantal aangedreven wielposities. Deel beide cijfers door twee en de configuratie wordt duidelijker.
- 4×2: twee assen, waarvan één aangedreven.
- 6×2: drie assen, waarvan één aangedreven.
- 6×4: drie assen, waarvan twee aangedreven.
- 8×4: vier assen, waarvan twee aangedreven.
- 6×6: drie assen die allemaal kunnen worden aangedreven.
Dubbele banden op een achteras veranderen deze aanduiding niet. Een aangedreven as met dubbellucht telt in de configuratie nog altijd als twee aangedreven wielposities. Daarom betekent 6×4 niet dat er letterlijk maar vier aangedreven banden onder de truck zitten.
Bij complexere chassis gebruikt Scania aanvullende tekens. Het getal na een schuine streep of ster verwijst naar het totale aantal gestuurde wielposities. Een 6×2/4 heeft drie assen, één aangedreven as en twee gestuurde assen. De extra gestuurde as bevindt zich vóór de aangedreven as en wordt doorgaans een gestuurde voorloopas genoemd. Bij een 6×2*4 zit de extra gestuurde as achter de aangedreven as: dit is een gestuurde naloopas.
Een 6×2/2 heeft eveneens een voorloopas, maar alleen de normale vooras stuurt. Bij configuraties zoals 8×2*6 of 10×4*6 wordt dezelfde logica toegepast, al kan de feitelijke plaatsing en functie per chassisuitvoering verschillen. De individuele chassisspecificatie blijft daarom leidend.
Veelvoorkomende configuraties en hun toepassing
| Configuratie | Opbouw | Typische eigenschappen |
|---|---|---|
| 4×2 | Twee assen, één aangedreven achteras | Relatief licht, eenvoudig en wendbaar; veel gebruikt voor wegtransport en lichtere bakwagens |
| 4×4 | Twee aangedreven assen | Meer tractie op onverhard terrein, maar ook meer gewicht en aandrijvingsweerstand |
| 6×2 | Drie assen, één aangedreven as | Extra draagvermogen en een gunstige gewichtsverdeling zonder tweede aangedreven achteras |
| 6×2/4 | Gestuurde voorloopas en één aangedreven achteras | Goede verdeling van de voorste aslasten en betere manoeuvreerbaarheid dan met een vaste voorloopas |
| 6×2*4 | Eén aangedreven as met gestuurde naloopas | Veel draagvermogen gecombineerd met een kleinere draaicirkel en minder bandwringing |
| 6×4 | Tandemstel met twee aangedreven achterassen | Meer tractie en robuustheid voor bouwtransport, zwaar vervoer en gladde ondergrond |
| 6×6 | Drie aangedreven assen | Bedoeld voor werk waarbij terreinvaardigheid belangrijker is dan een laag eigen gewicht |
| 8×4 | Vier assen, twee aangedreven | Geschikt voor zware opbouwen en hoge belastingen, onder meer bij kippers, mixers en kraanwagens |
Een extra as verhoogt niet automatisch het wettelijk toegestane totaalgewicht. Dat hangt ook af van de afstand tussen de assen, banden, technische aslasten, voertuigregistratie en de regels in het land waar de truck rijdt. De belangrijkste winst van een extra as is vaak dat het gewicht van de truck, lading en opbouw beter kan worden verdeeld.
Voor een trekker speelt bovendien de positie van de koppelschotel een grote rol. Een zwaar beladen oplegger kan bij een verkeerde afstelling te veel druk op de aangedreven as of juist op de vooras zetten. Bij een bakwagen zijn onder meer de wielbasis, achteroverbouw en plaats van de laadruimte of kraan bepalend.
Aangedreven assen, reductie en ondersteunende assen
Enkele reductie of naafreductie
Bij een achteras met enkele reductie vindt de eindreductie hoofdzakelijk plaats in het differentieel. Deze constructie is relatief licht en efficiënt en past daardoor goed bij regulier wegtransport. De gekozen overbrengingsverhouding moet aansluiten bij de motor, versnellingsbak, bandenmaat, kruissnelheid en het totale treingewicht.
Bij naafreductie zit een extra overbrenging bij de wielnaven. De belasting wordt hierdoor anders door de aandrijflijn geleid. Dergelijke assen worden vooral gebruikt wanneer veel tractie, een hoge belastbaarheid en robuustheid bij zwaar werk nodig zijn. Daar staan doorgaans meer eigen gewicht, extra draaiende delen en een andere aandrijflijnefficiëntie tegenover.
Ook de numerieke achterasverhouding is belangrijk. Een hogere verhouding levert in het algemeen meer trekkracht aan de wielen en een hoger motortoerental bij dezelfde snelheid. Een lagere verhouding kan het toerental tijdens snelweggebruik beperken, maar moet wel passen bij het beschikbare motorkoppel en de hoogste versnelling. Alleen naar het getal van de achteras kijken is dus onvoldoende.
Voorloopas, naloopas en aslift
Een voorloopas zit vóór de aangedreven achteras. Een naloopas bevindt zich erachter. Beide zijn niet aangedreven, maar kunnen afhankelijk van de uitvoering vast, gestuurd en eventueel liftbaar zijn. Een gestuurde hulpas volgt de bocht beter, waardoor de truck gemakkelijker manoeuvreert en banden minder over het wegdek schuiven.
Een liftbare as kan bij een onbeladen of licht beladen truck worden geheven. Dat vermindert het aantal banden op de weg en kan rolweerstand en bandenslijtage beperken. Tegelijk verandert de aslastverdeling. Het heffen van een hulpas kan meer gewicht op de aangedreven as plaatsen en zo tijdelijk de tractie verbeteren, maar alleen binnen de technische en wettelijke grenzen.
Bij een tandemstel met twee aangedreven assen kunnen langs- en dwarssperren helpen wanneer een wiel of complete as grip verliest. Een sper is vooral een hulpmiddel bij lage grip; verkeerd gebruik op stroef wegdek kan de aandrijflijn en banden onnodig belasten.
Welke assen passen bij welke Scania?
Voor lange afstanden over verharde wegen is een 4×2 vaak aantrekkelijk door het lagere eigen gewicht en de eenvoudige aandrijflijn. Een 6×2 wordt interessant wanneer meer draagvermogen, een andere koppelschoteldruk of een betere gewichtsverdeling nodig is. In distributiewerk kan een gestuurde naloopas een belangrijk voordeel bieden bij krappe losplaatsen.
Een 6×4 of 8×4 past beter bij werkzaamheden waarbij tractie en belastbaarheid zwaar wegen. Denk aan kippers, houttransport, zwaar vervoer en trucks met een grote kraan. Voor structureel terreinwerk kan vierwiel- of meerwielaandrijving nodig zijn. De keerzijde bestaat uit een hoger eigen gewicht, meer mechanische weerstand en doorgaans hogere banden- en onderhoudskosten.
Bij oudere voertuigen, waaronder uitvoeringen uit de Scania T-serie, is de zichtbare configuratie slechts het begin van de identificatie. Ombouw, een verplaatste koppelschotel, gewijzigde banden of een aangepaste hulpas kunnen het gebruik van de truck sterk veranderen. Controleer daarom het chassisnummer en de oorspronkelijke chassisspecificatie. Daarin staan het type voor- en achteras, de technische aslasten, de overbrengingsverhouding en de uitvoering van een eventuele hulpas afzonderlijk vermeld.
De juiste Scania-asconfiguratie is uiteindelijk een balans tussen laadvermogen, tractie, draaicirkel, bodemvrijheid, brandstofverbruik en opbouwruimte. Twee trucks met dezelfde 6×2-aanduiding kunnen door een andere asplaatsing, besturing, wielbasis of overbrenging merkbaar verschillend rijden. Voor een betrouwbare vergelijking moet daarom altijd de volledige chassisopbouw worden bekeken.



