De oude Scania modellen zijn grofweg onder te verdelen in de vroege Scania- en Scania-Vabis-typen, de naoorlogse L-modellen en de latere 0-, 1-, 2-, 3- en 4-serie. Bekende klassiekers zijn onder meer de L51 Drabant, L71 Regent, L75, LB76, 110, 140, 141, 142, 143 en 164. Dit artikel zet de belangrijkste Europese vrachtwagenfamilies chronologisch op een rij en legt uit hoe de typeaanduidingen zijn opgebouwd.
Een letterlijk overzicht van iedere gebouwde uitvoering zou aanzienlijk langer zijn. Scania leverde per model verschillende wielbases, asconfiguraties, cabines, motoren en exportvarianten. Ook waren er afzonderlijke militaire voertuigen en lokaal geproduceerde modellen. Hieronder staan daarom de reguliere modelreeksen die de ontwikkeling van de vrachtwagens van Scania het duidelijkst weergeven.
Overzicht van oude Scania modellen
| Periode | Belangrijkste modellen | Kenmerk |
|---|---|---|
| 1902-1924 | Vabis-vrachtwagen, Scania type E, CLb/CLc, DLa, ELa, FLa en GLa | Vroege bedrijfswagens, vaak op bestelling gebouwd |
| 1925-1944 | 314, 324, 325, 335, 345 en 355 | Meer standaardisatie en zwaardere chassis |
| 1944-1959 | L10, F10, L40, F40 en L51 Drabant | Middelzware naoorlogse generatie |
| 1946-1958 | L20, L60 en L71 Regent | Zwaardere lijn met zescilindermotoren |
| 1958-1968 | L55, L56, L66, L75, L76 en LB76 | Belangrijke basis voor internationale groei |
| 1964-1968 | L36 | Compactere truck voor distributiewerk |
| 1968-1974 | 50, 80, 85, 110 en 140 | De zogenoemde 0-serie |
| 1974-1981 | 81, 86, 111 en 141 | Doorontwikkeling tot de 1-serie |
| 1980-1988 | 82, 92, 112 en 142 | Modulaire 2-serie met G-, P-, R- en T-cabines |
| 1987-1997 | 93, 113 en 143 | 3-serie, later ook als Streamline |
| 1995-2004 | 94, 114, 124, 144 en 164 | 4-serie met een volledig nieuw cabineontwerp |
| 2004-2005 | T-serie | Laatste af-fabriek gebouwde Scania met torpedocabine |
Van de eerste vrachtwagen tot Scania-Vabis
Zowel Vabis als Scania bouwde in 1902 een eerste vrachtwagen. De vroege voertuigen verschilden sterk van moderne serietrucks. Chassis, laadvermogen, cabine en opbouw werden veelal afgestemd op één klant. Een bekend vroeg voorbeeld is de Scania type E, waarmee in 1909 een lange rit van Malmö naar Stockholm werd gemaakt.
Na de fusie van Scania en Vabis in 1911 verschenen verschillende lettertypen, waaronder CLb, CLc, DLa, ELa, FLa en GLa. Deze aanduidingen zijn tegenwoordig vooral relevant voor musea en gespecialiseerde verzamelaars. Productieaantallen waren beperkt en de verschillen konden betrekking hebben op het chassis, de motor of de voertuigfunctie.
Vanaf 1925 zette Scania-Vabis sterker in op standaardisatie. De 314, 324 en 325 vormden een nieuwe generatie bedrijfswagens, gevolgd door de zwaardere 335, 345 en 355. Deze vrachtwagens kregen een meer herkenbare gesloten cabine en een opbouw die minder deed denken aan een gemotoriseerde paardenwagen. Toch bleven het in vergelijking met latere generaties relatief kleinschalig gebouwde voertuigen.
De naoorlogse L-modellen
De L10 uit 1944 markeerde het begin van de belangrijkste naoorlogse modelontwikkeling. Daaruit ontstonden onder meer de L40 en de L51 Drabant. De letter F werd gebruikt voor bepaalde vierwielaangedreven uitvoeringen, zoals de F10 en F40. De naam Drabant gaf de L51 meer identiteit dan de eerdere, uitsluitend numeriek aangeduide modellen.
Voor zwaarder vervoer waren er de L20, L60 en L71 Regent. De Regent stond hoger in het programma en werd onder andere ingezet als zware bakwagen, trekker en tankwagen. Vanaf 1958 volgde de L75, een model dat belangrijk werd voor de internationale reputatie van Scania-Vabis. De kleinere L55 en de latere L56 en L66 vulden het programma aan.
De L76 was een verdere ontwikkeling van de L75. Naast de uitvoering met een neus verscheen de LB76 met frontstuurcabine, waarbij de chauffeur boven de motor zat. Dat leverde meer laadlengte op binnen de toegestane totale voertuiglengte. De kleinere L36 richtte zich juist op regionaal vervoer en distributie.
De 0-, 1-, 2-, 3- en 4-serie
In 1968 verdween de naam Scania-Vabis van de grille en gingen de vrachtwagens verder als Scania. Tegelijk veranderde de nummering. De L36 werd opgevolgd door de 50, de lijn rond de L56 door de 80 en de L76 door de 110. Omdat de belangrijkste typenummers op een nul eindigden, staat deze generatie bekend als de 0-serie. De 85 was een afwijkende, zwaardere variant binnen deze periode.
Het beroemdste model uit deze generatie is de 140. Scania introduceerde in 1969 zijn 14-liter V8 in de LB140. De truck combineerde een frontstuurcabine met een voor die tijd bijzonder krachtige motor en werd veel gebruikt in zwaar internationaal vervoer. Er bestonden ook neusuitvoeringen en verschillende drieassige chassis.
De 1-serie verscheen vanaf het midden van de jaren zeventig, waarbij de exacte introductie per markt kon verschillen. De hoofdmodellen waren de 81, 86, 111 en 141. Vooral de LB111 en LB141 zijn herkenbare Europese klassiekers. De 141 zette de V8-lijn van de 140 voort, terwijl de 111 met een zescilinder geschikt was voor een breed scala aan transporttaken.
In 1980 introduceerde Scania de 2-serie. Deze GPRT-reeks was de eerste volledig modulair opgebouwde truckfamilie van het merk. De letters verwezen naar verschillende cabineposities en -hoogten: G, P en R waren frontstuurcabines, terwijl T voor de torpedocabine stond. Tot de motorfamilies behoorden de 82, 92, 112 en 142. Voorbeelden van complete modelnamen zijn P112, R142 en T112.
De 3-serie volgde in 1987 met de 93, 113 en 143. Technisch en uiterlijk bouwde deze generatie voort op de 2-serie, maar motoren, cabine-interieur en aandrijflijnen werden verder ontwikkeld. De R143 V8 groeide uit tot een van de bekendste klassieke Scania’s. Vanaf 1991 verscheen de aerodynamischer vormgegeven Streamline-cabine, herkenbaar aan de gladdere hoeken en aanvullende beplating.
In 1995 kwam de 4-serie op de markt. Deze generatie kreeg een nieuw, door Bertone vormgegeven cabineontwerp en bestond uit de 94, 114, 124, 144 en later de 164. De eerste cijfers verwezen nog steeds globaal naar de motorfamilie, terwijl de laatste 4 de generatie aangaf. Een R144 was dus een R-cabine uit de 4-serie met een 14-liter motorfamilie; de R164 gebruikte de grotere V8-generatie.
Na de 4-serie stapte Scania over op modelnamen waarin cabineletter en motorvermogen centraal stonden. De kort gebouwde T-serie van 2004 en 2005 vormde daarbij de laatste fabrieksmatige torpedo-Scania. Modellen zoals de moderne Scania S500 volgen een andere naamgeving en horen niet meer bij de klassieke genummerde series.
Zo herken je de oude typeaanduidingen
Bij klassieke Scania’s is alleen het nummer meestal niet voldoende om de precieze uitvoering vast te stellen. Letters vóór en achter het nummer kunnen informatie geven over de cabine, asconfiguratie of gebruiksklasse.
- L: klassieke cabine met neus, vaak als tweeassig basismodel.
- LB: frontstuurcabine boven de motor.
- LS en LBS: drieassige varianten met een extra niet-aangedreven achteras, afhankelijk van periode en uitvoering.
- LT en LBT: zware drieassige uitvoeringen met aangedreven tandemstel.
- P, R en T: cabinefamilies vanaf de modulaire 2-serie; T duidt de torpedocabine aan.
- Super: historische aanduiding die op verschillende generaties werd gebruikt voor uitvoeringen met een drukgevulde motor.
De letter C vormt geen doorlopende klassieke Scania-modelserie zoals de 1-, 2- of 3-serie. In uitgebreidere Scania-typecodes kan C een bouw- of constructietoepassing aanduiden. Een vermelding als ‘Scania C-serie’ moet daarom aan de hand van het bouwjaar, chassisnummer en de volledige typeplaat worden gecontroleerd.
Bij het identificeren van een oldtimer zijn de grilleletters, cabinevorm en zichtbare typebadge een goed begin, maar niet altijd beslissend. Cabines, motoren en frontdelen zijn tijdens een lang werkend leven geregeld vervangen. Het chassisnummer en de fabrieksgegevens geven uiteindelijk de betrouwbaarste bevestiging van model, bouwjaar en oorspronkelijke configuratie.



